Het Grondwettelijk Hof heeft onlangs de artikelen 107.1, tweede alinea, 107.2.a) en 107.4 van de herziene tekst van de wet tot regeling van de lokale financiën (RD Legislative 2/2004, van 5 maart) ongrondwettig verklaard, omdat daarin een objectieve methode wordt vastgesteld voor het bepalen van de heffingsgrondslag van de belasting op de waardestijging van stedelijke grond, waarbij wordt bepaald dat er altijd sprake is geweest van een waardestijging van de grond tijdens de belastingperiode, ongeacht of er sprake is geweest van een dergelijke stijging en het werkelijke bedrag van die stijging.

Het is niet met terugwerkende kracht